sign en disagn2 500Het op tijd signaleren van een eetstoornis is belangrijk. Een vroegtijdige signalering kan ervoor zorgen dat het verloop van anorexia verkort wordt (Burna, Balke & Reuver, 2008). Echter, wordt dit mede bepaald door de motivatie van de persoon en de juiste aanpak (Richtlijneetstoornissen, z.j.).

Vaak komt de persoon met anorexia pas laat met een hulpvraag. Mensen met anorexia ervaren alleen de positieve effecten van de stoornis, bijvoorbeeld: het hebben van een slank lichaam of het krijgen van complimenten over het uiterlijk. De negatieve effecten worden hierbij buiten beschouwing gelaten, bijvoorbeeld: het hebben van een ongezond gewicht, gezondheidsklachten of bijkomende psychische klachten zoals depressie. Hierdoor herkent en erkent men de eetstoornis pas laat en ziet men niet in hoe ernstig het is. Daarnaast ervaren mensen met anorexia veel schaamte over het hebben van een eetstoornis. Toch kan vroege signalering erg goed helpen doordat er passende hulp wordt gezorgd en het herstellen eerder opgang kan worden gebracht.

 

De rol van de omgeving

De omgeving van de persoon speelt een belangrijke rol. Wanneer de omgeving meerdere signalen ziet of het vermoeden heeft dat er sprake is van een eetstoornis, is het van belang dat dit niet wordt genegeerd. De omgeving kan hierop inspelen door initiatief te nemen en dit bespreekbaar te maken. Toch blijft het bespreekbaar maken lastig voor de omgeving en voor de persoon zelf (zie ook het onderdeel in gesprek). Om die reden hebben verschillende organisaties voorlichtingen en trainingen, opgesteld door ervaringsdeskundigen (mensen die een eetstoornis hebben gehad en anderen hierbij helpen), ontworpen. Deze voorlichtingen en trainingen leren de omgeving om op een goede en respectvolle manier de eetstoornis bespreekbaar te maken. Zo worden deze voorlichtingen en trainingen onder andere aangeboden in inloophuizen* en zelfhulporganisaties (Vandereycken & Noordenbos, 2002). Wil je tips over het bespreekbaar maken van het vermoeden van een eetstoornis? Klik dan hier.

 

Ouder: 'Na schooltijd belde je (naar mijn werk) om te zeggen dat je gestopt was met snoepen. Prima toch dacht ik toen. Een paar dagen later belde je naar mijn werk om te zeggen dat je ging stoppen met weer iets anders. En zo ging het door. Je ging steeds meer de regie thuis overnemen. Je ging voor ons koken en daarna gingen we een eindje wandelen.''  

 

De eerste stap

De eerste stap naar hulp is vaak naar de huisarts. De huisarts speelt bij de signalering van een eetstoornis een belangrijke rol. De herkenning van een eetstoornis is daarentegen ook lastig voor de huisarts. Mensen komen met andere klachten bij de huisarts die niet direct gekoppeld kunnen worden aan het hebben van een eetstoornis. De huisarts kan bij vermoeden van een eetstoornis lichamelijk onderzoek doen en tekortkomingen constateren. Hierbij zal hij letten op maag- en darmproblemen, uitblijvende menstruatie, vermoeidheid, duizelingen, slaapproblemen en psychologische klachten. Wanneer de huisarts denkt dat het vermoeden klopt neemt de huisarts twee stappen, dit zijn: 1) het afnemen van een anamnese en verder lichamelijk onderzoek en 2) het doen van aanvullend onderzoek. De huisarts kan bij vermoeden van een eetstoornis ook de signalenkaart voor huisartsen raadplegen. Bij een anamnese wordt er gekeken naar de periode voorafgaand aan de ziekte tot nu. De huisarts kan bij de anamnese letten op verschillende aspecten van de gezondheid (Vandereycken & Noordenbos, 2002), dit zijn:

  • Eetpatroon en compensatie (de manier waarop iemand compenseert voor wat hij of zij eet, bijvoorbeeld door overmatig sporten, laxeren of braken etc.);
  • Lichaamsbeeld;
  • Verloop van het gewicht door de laatste jaren;
  • Lichamelijke klachten (waaronder het uitblijven van menstruatie);
  • Medicatie gebruik;
  • Middelen gebruik (alcohol of drugs).

Via de huisarts kun je ook terecht komen bij de POH-GGZ.

 

Anorexia nervosa volgens de DSM-5

De huisarts kan een eetstoornis herkennen aan verschillende kenmerken. Daarnaast kan hij bij de signalering van anorexia de DSM-5 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, vijfde editie) criteria gebruiken. De DSM-5 is een handboek over psychische stoornissen (denk aan depressie, ADHD, eetstoornissen of angststoornissen). De verschillende psychische stoornissen worden hierin per categorie omschreven aan de hand van kenmerken. Ook anorexia wordt in de DSM-5 omschreven, samenvattend komt dit neer op:

Een laag lichaamsgewicht en een verstoord lichaamsbeeld zijn kenmerkend voor anorexia. Mensen met anorexia vinden zichzelf dik terwijl ze in werkelijkheid heel mager zijn. Hetgeen waarvoor mensen met anorexia erg bang zijn, is gewichtstoename. Hierdoor vertonen zij gedrag dat gewichtstoename voorkomt, zoals dwangmatig bewegen of het gebruiken van laxeermiddelen. De ernst van de stoornis wordt bepaald door het vaststellen van de BMI* (Body Mass Index). Voor volwassenen geldt: een BMI gelijk aan of hoger dan 17 en onder de 18.5 is licht ernstig, lager dan 15 is zeer ernstig (American Psychological Association, 2013).

 

Het stellen van een diagnose

De diagnose kan vervolgens gesteld worden met behulp van de DSM-5, waarin er vooral gelet wordt op lichaamsbeleving en de (lage) voedselinname. De huisarts kan vervolgens nog inzetten op aanvullend onderzoek, namelijk laboratoriumonderzoek. Dit onderzoek kijkt naar hoe iemand er lichamelijk aan toe is. Een diagnose kan gesteld worden door een arts of een arts gespecialiseerd in voedings- en/of eetstoornissen.

De huisarts kan nog aanvullend onderzoek door een ECG (elektrocardiogram, ook wel hartfilmpje) aan te vragen om te kijken of er sprake is van hartritmestoornissen als gevolg van hypokaliëmie (kalium tekort, wordt door middel van bloedonderzoek aangetoond). Een kalium tekort kan voorkomen bij mensen die laxeren of braken en hierdoor (te) weinig vocht binnenkrijgen. Het kan leiden tot shock, ademhalingsmoeilijkheden, hartritmestoornissen of zelfs een hartstilstand (Proud2bme, 2010). Hiernaast wordt het gewicht en het verloop van het gewicht vastgesteld door bij volwassenen te kijken naar het BMI*. Bij kinderen wordt er gekeken naar een langere periode, de groeicurve en eventuele afwijkingen in de groeicurve (Vandereycken & Noordenbos, 2002).


Het constateren van een eetstoornis is niet gemakkelijk. Er moet gekeken worden naar de omstandigheden van de persoon met anorexia, dit blijft voor zowel de omgeving als de hulpverlening een verzamelproces. Het verzamelen van de informatie door de hulpverlening wordt vaak gedaan door een multidisciplinair team (een samengesteld team dat bestaat uit verschillende disciplines en vakgebieden). Hierdoor kunnen de psychologische en lichamelijke symptomen aangetoond worden.

 

Ervaringsdeskundige: ''Bij mij was sprake van anorexia nervosa. Ik voldeed aan de criteria voor deze eetstoornis volgens de criteria van de (toen nog) DSM IV. Daarnaast vertoonde ik ook kenmerken van een depressie en dwangmatig gedrag. De diagnose depressie hebben ze niet gesteld, omdat het vermoeden was dat deze kenmerken zouden verminderen zodra ik weer aan kwam in gewicht. Dit is ook wat er gebeurde. Naar verloop van tijd voldeed ik niet meer aan de criteria van anorexia en ging mijn eetstoornis over in boulimia. Ander voorbeeld van diagnostiek: naast eetstoornissen zijn er ook nog voedingsstoornissen, zoals Arfid, waarbij iemand te weinig eet, bijvoorbeeld door hypergevoeligheid in het mondgebied. Ook comorbiditeit komt veel voor, zoals bij mij depressie, maar ook autisme zien we regelmatig voorkomen samen met een eetstoornis. Met name bij meisjes kan dit lastig vast te stellen zijn, omdat zij vaak in staat zijn om dit tot op zekere hoogte te verbergen.''

 

De signalenkaart eetstoornissen zelf bestellen?

 

Begrippenlijst


BMI (Body Mass Index): Een index voor het gewicht in verhouding tot je lichaamslengte. Het geeft een inschatting van het gezondheidsrisico van je lichaamsgewicht (Voedingscentrum, z.j.).

Inloophuizen: Plekken waar je gratis terecht kunt zonder enige vorm van doorverwijzing. Inloophuizen bieden mensen en naasten de mogelijkheid om hun verhaal te doen in een huiselijke omgeving. Gastvrouwen (en gastheren) heten je welkom en hebben vaak ook ervaring met hetgeen waar men voor komt. Inloophuizen zijn er voor zowel mensen met een bepaalde ziekte als een psychische stoornis. Daarnaast organiseren inloophuizen ook thema- en voorlichtingsbijeenkomsten en spreekuren. Er zijn ook vrijwilligers aanwezig en soms ook gespecialiseerde zorg, zoals psychologen. Psychotherapeuten of fysiotherapeuten (IPSO kenniscentrum, z.j.). Voorbeelden van inloophuizen waar je terecht kunt, zijn:

 

Gebruikte literatuur:

American Psychological Association. (2013). Diagnostic and Statistical Manual of

Mental Disorders. (5e editie). (DSM-5). Washington DC: American PsychiatricPublishing.

Bruna, M.J., Balke, P. & Reuver, M.H.M. (2008). Eetstoornissen: anorexia nervosa en bulimia nervosa. Informatorium Voeding en Diëtetiek- Dieetleer, p. 1159-1181. 

IPSO kenniscentrum. (z.j.). Inloophuizen. Geraadpleegd op 6 april 2017, van https://www.ipso.nl/psycho-oncologische-zorg/inloophuizen

Proud2bme. (2010). Kalium tekort door eetstoornis. Geraadpleegd op 9 mei 2017, van www.proud2bme.nl/De_psychologie_van.../Kalium_tekort_door_eetstoornis

Richtlijneetstoornissen(z.j.). Risico en preventie, preventieve interventies. Geraadpleegd op 18 maart 2017, van http://www.richtlijneetstoornissen.nl/index.php?id=1&action=details&articles_id=35&categories_id=3

Vandereycken, W. & Noordenbos, G. (2002). Handboek eetstoornissen. Utrecht: De tijdstroom.

Voedingscentrum. (z.j.). BMI-meter. Geraadpleegd op 6 april 2017, van http://www.voedingscentrum.nl/nl/mijn-gewicht/heb-ik-een-gezond-gewicht/bmi-meter.aspx